Heeft Nederland bijna de grootste vermogensongelijkheid? Nou, niet helemaal

Heeft Nederland bijna de grootste vermogensongelijkheid? Nou, niet helemaal

29 oktober 2019 0 Door Matthijs Keim

‘Nederland is na de Verenigde Staten koploper vermogensongelijkheid van de rijke westerse landen’. Dat beweerde SP-leider Lilian Marijnissen op de eerste dag van de Algemene Politieke Beschouwingen, een debat dat traditioneel na Prinsjesdag wordt gehouden in de Tweede Kamer. Volgens haar zijn in Nederland de vermogens van alle rijke westerse landen het meest oneerlijk verdeeld, als je de Verenigde Staten niet meetelt.

Waar komt deze uitspraak vandaan?

Het is een conclusie waar je toch even van schrikt. Maar de uitspraak van Marijnissen is niet nieuw. In 2018 kwam een rapport naar buiten die dezelfde conclusie trok. Dat rapport was van de OESO (we zullen je de volledige naam – Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling – verder besparen), een organisatie waarin 36 redelijk welvarende landen economisch en sociaal beleid bespreken.

Wie het leest, komt uiteindelijk een grafiek tegen. De vermogensongelijkheid van Nederlandse huishoudens blijkt volgens dezelfde figuur zo groot, dat alleen de Amerikanen het slechter hebben getroffen. De rijkste tien procent van de Nederlanders huishoudens zou namelijk bijna 70 procent van alle vermogens bezitten.

De grafiek die de grote vermogensongelijkheid zou aantonen
De beruchte grafiek van de OESO (uit: Inequalities in household wealth across OECD countries: evidence from the OECD Wealth Distribution Database, 2018; OESO, Carlotta Balestra, Richard Tonkin)

Je zou zeggen: case closed, Lilian heeft gelijk. Toch is het niet zo makkelijk om meteen die conclusie te trekken: Nederlandse economen hadden namelijk kritiek op dit onderzoek.

Wat is vermogensongelijkheid?

Economie is ingewikkeld. Zeker als politici en journalisten je om de oren gaan slaan met termen die je wel vaak hoort, maar waarvan je eigenlijk niet precies weet wat ze betekenen. Dat is ook zo met vermogen.

Op de website van de Belastingdienst wordt het begrip duidelijk uitgelegd. De waarde van bezittingen die je hebt – zoals spaargeld, aandelen of een vakantiehuis – is je vermogen. Ander eigendom, meestal de bezittingen die je het vaakst gebruikt zoals je eigen huis en auto, telt vaak niet mee als vermogen.

Je moet de hoogte van je schulden echter eerst van deze waarde aftrekken. Zijn je schulden hoger dan de waarde van je spullen? Dan heb je een negatief vermogen. Vervelend, maar daar hoef je dan weer geen belasting over te betalen.

Wat klopt er (niet)?

Het probleem met het OESO-onderzoek zit hem vooral in pensioenvermogen – in gewone taal: de waarde van je pensioen. Want dat is niet meegerekend. Expres. De onderzoekers verklaren zelf waarom. Zo zou data over het pensioenvermogen van huishoudens door sommige landen moeilijk te vinden zijn. Zo heeft de organisatie ook van Nederland deze cijfers niet.

Op het ‘vergeten’ van de pensioenen kwam kritiek van Nederlandse economen. Zo stelde Nicole Gubbels, professor aan Tilburg University en de Vrije Universiteit Amsterdam, dat het OESO de vermogensongelijkheid in Nederland grof overschatte door het ‘omvangrijke pensioenvermogen’ niet mee te nemen in de grafiek.

Universiteitshoogleraar Coen Teulings schreef dan weer in het Financieele Dagblad dat het ‘een slok op een borrel scheelt’ dat onze pensioenen niet op de bank staan, waardoor we er direct bij kunnen als dat nodig is, maar bij een pensioenfonds die het pas teruggeeft wanneer je gestopt bent met werken. Dat we ons pensioen niet op kunnen eisen is één van de redenen waarom het door veel onderzoekers vaak niet als ons eigen bezit of vermogen wordt gezien. Maar daarover later meer. Het is in ieder geval duidelijk: zomaar ons pensioen aan de kant zetten maakt heel wat uit.

We hebben nu een beeld van de kritiek op het OESO-onderzoek. Om te voorkomen dat je straks eeuwig door reacties van economen door moet scrollen, kijken we vanaf nu alleen nog maar naar rapporten die objectief zijn geschreven.

Misschien een beetje saai, maar we gaan proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.

Wat maakt het vergeten van pensioenen precies uit?

Het SCP vindt dat pensioenen erg belangrijk zijn in de discussie over vermogens. Zo bleek uit één van hun onderzoeken dat in 2016 maar liefst 38 procent van de bezittingen van Nederlandse huishoudens bestond uit pensioenvermogen. Omdat dit grote cijfers zijn, kan dat een behoorlijk groot verschil maken voor de ongelijkheid.

Een stukje context bij de vermogensongelijkheid
Een groot deel van de bezittingen van Nederlandse huishoudens in 2016 bestond uit pensioenvermogen (De Sociale Staat van Nederland 2017; SCP, Ab van der Torre)

Zo ontdekten onderzoekers van het Centraal Planbureau – dat lijkt op het SCP, maar dan onderzoek doet naar de economie – ook in 2016 dat de vermogensongelijkheid in Nederland afnam wanneer pensioenen als vermogen worden gezien.

Grafiek uit rapport 'Vermogensongelijkheid in Nederland'
Als het pensioenvermogen wordt meegeteld, daalt de Gini-coëfficiënt of vermogensongelijkheid (uit: Vermogensongelijkheid in Nederland, 2006-2013; CPB, Thomas Kooiman, Arjan Lejour)

Eén van deze onderzoekers, Arjan Lejour, pleit er al langer voor om pensioenen mee te rekenen bij cijfers over vermogensongelijkheid. Tegen EénVandaag zei hij in 2018: “De pensioenpotten zijn heel groot. Die zijn wel twaalf á veertienhonderd miljard euro waard. Die zou je eigenlijk moeten verdelen over iedereen. Dan zal je zien dat de vermogenspositie van lagere en middeninkomens beter is en zou je minder schreef uitkomen.”

De OESO geeft in haar rapport aan dat het toevoegen van het pensioenvermogen niet altijd veel verschil maakt in ongelijkheidsdata. Toch ontdekten ze wel dat het toevoegen van deze cijfers de vermogensongelijkheid van sommige landen flink omlaag brengt.

Een aantal van die landen staan bekend om hun hoge pensioenvermogens, waaronder Australië, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Dat blijkt uit een onderzoek van adviesbureau Willis Towers Watson. Ook voor Nederland zou het verschil groot uit kunnen komen, omdat Nederlandse pensioenfondsen volgens hetzelfde onderzoek een groot kapitaal hebben.

Pensioenvermogen uit onderzoek van adviesbureau Willis Towers Watson (2017)

Wat ook voor Nederland spreekt, is het feit dat Nederlandse gepensioneerden maar liefst 101 procent van hun vorige werkloon aan pensioen opstrijken. Pittig veel. Dat betekent zelfs dat Nederlanders een hoger pensioenvermogen hebben dan gepensioneerden uit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Ondanks dat dit onderzoek van de OESO komt, heeft de organisatie niet genoeg data beschikbaar om de pensioenen van de vermogensongelijkheid af te trekken.

Nederlanders krijgen bijna het hoogste percentage pensioen van de OESO-landen (uit: Pensions at a Glance 2017; OESO)

Geen bezit?

Andere redenen om Nederlandse pensioenen niet mee te rekenen zijn er ook. Nederlanders zijn bijvoorbeeld helemaal niet zelf eigenaar van hun pensioen. Ze moeten dat onderbrengen bij een pensioenfonds dat het geld zelf belegt, waardoor het uiteindelijk meer waard wordt. Onderzoeks- en statistiekbureaus als het SCP en CBS nemen deze cijfers daarom zelf ook vaak niet mee.

Toch geeft het SCP zelf toe dat dit ‘een onvolledig beeld geeft van de middelen die huishoudens tot hun beschikking hebben voor consumptie in de toekomst’. Oftewel: als je eenmaal van je oude dag kan genieten, is het moeilijk te ontkennen dat een pensioen je bezit is.

In deze grafieken zie je duidelijke verschillen tussen landen als je de vermogens van pensioenfondsen vergelijkt met het deel dat gepensioneerden daadwerkelijk krijgen. Zo zijn de fondsen van het VK op papier de op één na rijkste wereld, terwijl gepensioneerden daar maar 29 procent van hun vorige werkloon terugzien zodra ze hun plekje achter de geraniums hebben gevonden.

Conclusie

Nu we al deze cijfers hebben bekeken, kan er ook wel een conclusie worden getrokken. Hoewel we het onderzoek van de OESO zeker niet in twijfel willen trekken, is er zeker ruimte voor nuance. Zo verklaart het SCP dat uit meerdere onderzoeken blijkt dat het niet meerekenen van pensioenen gevolgen heeft voor het berekenen van vermogensongelijkheid.

Hoeveel beter Nederland ervoor zou staan, is niet helemaal duidelijk. Zoals het OESO al open en eerlijk in haar rapport aangeeft, is het ingewikkeld om betrouwbare cijfers van pensioenvermogens te vinden. Bovendien verschillen pensioensystemen wereldwijd veel van elkaar. Wel kunnen we inschatten dat de Nederlandse pensioenpotten zó groot zijn, dat het wel degelijk uitmaakt of je onze pensioenen wel of niet meerekent.

Wij beoordelen de claim van Lilian Marijnissen daarom ook als deels waar.


Lees ook:

Of bekijk alle factchecks over geld